Uit de oude doos van de familie Harm en Gooitske Merkus-Dantuma, ontvangen van Harm Pierik

Gerrit Merkus
Gerrit Merkus (Westergeest *1912) bezoekt in zijn jonge jaren de openbare lagere school in Westergeest. Hij heeft geen moeite met leren en mag zelfs een klas overslaan. Wanneer hij in de 7e klas zit, zo schrijft hij in zijn schoolherinneringen, is er eind 1923 “herrie” om de school in het dorp. Die “herrie” heeft tot gevolg dat veel kinderen de school verlaten en naar de christelijke school in Triemen gaan. Daar is ook Gerrit Merkus bij. Wat was er toen aan de hand in Westergeest?

Openbare school in Westergeast
Omdat de openbare lagere school in Westergeest weinig leerlingen heeft acht de gemeenteraad van Kollumerland c.a. het gewenst deze school op te heffen. Als datum van opheffing wordt gedacht aan 1 januari 1924, de dag waarop het hoofd van de school, de heer J. Westerkamp, met pensioen gaat. De inspecteur van het onderwijs in Leeuwarden denkt hier echter anders over. Hij vindt vanwege de tijdsomstandigheden opheffing niet gewenst. Daarom komt de gemeenteraad op 13 december 1923 weer bij elkaar om opnieuw over dit onderwerp te spreken. In deze vergadering deelt de voorzitter mee dat de openbare lagere school in Westergeest op 1 januari 1924 door een 20-tal leerlingen zal worden bezocht. Dat aantal is voor B&W voldoende om nu voor te stellen dat opheffing van de school niet nodig is, dat een nieuw schoolhoofd kan worden benoemd en tijdelijk een onderwijzeres. De heer Westerkamp is bereid zo lang aan te blijven als nodig is totdat zijn vacature vervuld is. Mocht het aantal leerlingen in de loop van het jaar toch tegenvallen dan kan de tijdelijke onderwijzeres van haar betrekking worden ontheven.
De bespreking in de gemeenteraad over dit onderwerp gaat gepaard met soms felle discussies. De heer Vries trekt het aantal van 20 leerlingen sterk in twijfel. Volgens hem geven de verstrekte vaccinatiebewijzen aan dat niet op 20 leerlingen die de voorzitter noemt, gerekend mag worden, maar hooguit op 13 leerlingen. Absolute zekerheid kan hij echter ook niet geven omdat sommige ouders ingetekend hebben op zowel de lijst van vóórstanders van opheffing als van tegenstanders van opheffing maar hij pleit samen met de heren Vogelsangh en Zomer voor opheffing.
Op voorstel van de heer Vries besluit daarop de gemeenteraad met 10 tegen 3 stemmen – van de heren Feitsma, Detmar en Hoekstra – een commissie in te stellen die onderzoek gaat doen naar het juiste aantal leerlingen dat op 1 januari 1924 verwacht mag worden. Daarna kan pas een nieuw besluit genomen worden. De commissie van dit onderzoek zal bestaan uit de heren Feitsma, Detmar, Vries en Vogelsangh met de heer Westerkamp als adviseur.
Reeds op 15 december vergadert de commissie weer en noteert dan van welke ouders verwacht mag worden dat ze hun kinderen naar de openbare school zullen sturen. Dat zijn D. Annema, E. Bouma, H. Hoekstra, E. Klaver, wed. Kuipers, E. Nauta, J. Dantuma, J. Sikkema, J. Visser en Joh. Vries samen goed voor 17 kinderen. De meningen over 4 kinderen zijn verdeeld. Een deel van de commissie deelt ze in bij de voorstanders van het openbaar onderwijs terwijl het andere deel van de commissie ze een plek geeft bij de tegenstanders, en daarmee dus bij de voorstanders van christelijk onderwijs. Van het echtpaar Westra en van de heren R. de Jong en J. Merkus is zeker dat zij hun kinderen van de openbare school zullen nemen omdat zij kiezen voor christelijk onderwijs. De gemeenteraad moet nu een beslissing nemen.
En dat gebeurt op 20 december 1923. Na een lange discussie wordt uitgegaan van een leerlingenaantal van 20 dat op 1 januari 1924 de openbare school in Westergeest zal bezoeken. Daarop wordt het voorstel van B&W om de openbare school te bestendigen in stemming gebracht. Dit voorstel wordt met 7 tegen 5 stemmen aangenomen. De tegenstemmers zijn de heren Zomer, Zuidersma, de Vries, Van der Schaaf en Vogelsangh. De heer Vries is afwezig. Het gevolg van dit besluit is dat er geen christelijke school komt in Westergeest en dat voorstanders van christelijk onderwijs hun kinderen naar de christelijke school in Triemen sturen. Dat is de groep kinderen uit Westergeest waar Gerrit Merkus over schrijft in zijn schoolherinneringen.

De Christelijke lagere school in De Trieme
Deze plaatselijke schoolstrijd staat niet op zichzelf. In de tweede helft van de 19e eeuw heeft het Friese reveil en de Vereniging Vrienden van de Waarheid veel aanhang in Friesland. Deze stroming beijvert zich voor christelijk onderwijs. Die wens leeft niet alleen in Friesland maar in het hele land. In 1878 tekenen meer dan 300.000 mensen het landelijke Volkspetitionnement voor gelijk gerechtigd en gelijk bekostigd christelijk onderwijs. Daar zijn ook verschillende inwoners van de gemeenten Kollumerland en Nieuwkruisland en Dantumadeel bij.
Vóór 1917 wordt het openbaar onderwijs door de overheid betaald terwijl het christelijk onderwijs geheel en later grotendeels door de ouders betaald moet worden terwijl die ouders door de belasting ook moeten bijdragen aan het openbaar onderwijs. In die tijd is de christelijke school in Triemen ontstaan waar de plaatselijke predikant ds. Joh. Politiek zich destijds bijzonder voor heeft ingespannen. Die ongelijkheid is door de grondwetswijziging in 1917 en door de Lager onderwijswet 1920 opgeheven waardoor veel ouders de mogelijkheid krijgen hun kinderen naar een christelijke school te sturen. Ook in Westergeest. Dit alles speelt eind 1923 mee in de ‘herrie’ om de school in Westergeest.
Harm Pierik