Maandelijks archief: maart 2026

Deel 2 van de expositie op 5 mei 2025

Voor deel 1 ( 1 t/m 21) van de expositie klik hier
Deel 2: 21 t/m 44 ( wordt vervolgd)

22. Geld, dat in de oorlog gebruikt moest worden


Op 1 april 1941 maakt de Duitse bezetter een einde aan de monetaire scheiding tussen Nederland en Duitsland. Het gevolg was dat alle munten met een waarde; zoals munten van goud, zilver, kopper/nikkel en van brons werden omgesmolten en vervangen door muntgeld van zink.

Eind 1941 komt het eerste zinken oorlogsgeld in circulatie. In de loop van het daarop volgende jaar vervangen exemplaren van dit goedkope metaal langzamerhand de munten van 1 en 2½ cent (brons), 5 cent (nikkel) en 10 en 25 cent (zilver). Daarmee wordt tegelijkertijd een herinnering aan het koningshuis uitgewist.

23. Heilige mis in Westergeest en breisters gevraagd


Comité opgericht voor inzameling wol en breisters gevraagd:

24. Bonnenkaarten voor brood, boter, vleesch en versnaperingen

Om ervoor te zorgen dat iedereen in tijden van gebrek toch aan voedsel kon komen, werd door de overheid overgegaan tot de verstrekking van distributiebonnen.

Om aan distributiebonnen te komen moest men in het bezit zijn van een zogenoemde door de overheid verstrekte distributiestamkaart, die door de gemeente werd verstrekt.

Wanneer men de bonnen had verkregen, kon men op in de kranten aangekondigde tijden de winkel bezoeken. Omdat iedereen op hetzelfde moment zijn bonnen moest inleveren, stonden voor de winkels lange rijen.
Op 11 oktober 1939 werd in Nederland suiker als eerste product in de Tweede Wereldoorlog alleen verkrijgbaar met bonnen. Vanaf januari 1940 gold dit ook voor erwten. Tot in de jaren 50 bleven veel goederen slechts “op de bon” verkrijgbaar, koffie was in 1952 het laatste product dat ten slotte weer vrij verkrijgbaar werd.

25. Persoonsbewijzen en distributiekaarten en bonnen


Persoonsbewijzen en distributiestamkaarten van Pieter van der Haak en zijn vrouw Jitske van Assen en de vader van Pieter Berend van der Haak, Wijtske Reinders, Renze Blom  en tweede distributiestamkaarten van Klaas en Willemke en Wierd Kooistra en één van Renze Blom





26. Bonnenkaarten bij de kruidenierswinkels


Het café van Frans en Jeltsje Sikkema

Frans en Jeltsje Sikkema


De winkel van Gerhardus Hilboezen en Selie van der Schaaf (pake en beppe van Eelkje Sipkema-Reinders) en Eelkje Hilboezen.


Gerhardus Hilboezen en Selie van der Schaaf
Frans en Jeltsje hadden kruidenierswaren te koop in het café.
In oorlogstijd toen producten op de bon waren, werkten de beide winkeliers samen. Zij hadden beide dezelfde leverancier. Onderaan ziet u een opplakvel, waar ze de ingeleverde bonnen op plakten en wanneer ze samen genoeg hadden voor een rantsoen, zodat de producten bij de leverancier besteld konden worden. Identiteitskaart moest meegenomen worden als ze naar de gemeente gingen.




27.Kerkklok gevorderd door de Duitsers

Klokkenvordering, ook wel ‘klokkenroof’ genoemd, is een gebruik tijdens oorlogen dat eeuwen terug gaat. Er worden dan kerkklokken uit de torens gehaald, met als voornaamste doel kanonnen te gieten. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werden in heel Nederland circa 6.700 klokken gevorderd door de Duitse bezetter, zo ook de klok van Westergeest, die dateerde uit het jaar 1898.

Na de oorlog is een nieuwe klok besteld bij de  firma van Berge uit Heiligerlee. De officiële ingebruikname was op 17 november 1949, waarbij Dominee F.G. van Binsbergen, Burgemeester J.J. Praamsma en meester ter Horst het woord voerden. Meester ter Horst bedankte de bevolking hartelijk voor de wijze, waarop ze haar medewerking verleend heeft aan de bazar en voor alle vrijwillige bijdragen. Ook werd bedankt voor de bijzondere gaven van de Kerkvoogdij, de Diaconie, de beide Begrafenisverenigingen, de Oranjevereniging, de Christelijke Vrouwenvereniging, Dr. Fokkema en vroegere plaatsgenoot Stelma, die nog een paar klompen voor de bazar beschikbaar stelde. Veel dank ook voor  B en W. en droegen de klok en geluidsinstallatie aan het Gemeentebestuur over.

Opschrift: “Gegoten 1948”, het gouden regeringsjaar van koningin Wilhelmina. Tot slot bedankte ook de Burgemeester de bevolking voor hun medewerking.

28. Uitstapje van de Jongelingenvereniging  Westergeest op 17 augustus 1944


Deze foto is niet compleet, omdat een aantal jongens ondergedoken zaten. Deze jongens hebben veel plezier, maar weten niet wat hen of hun familie mogelijk te wachten staat.
Bovenste rij v.l.n.r.: Lieuwe Kloosterman, Meester van Wessel,(leider), Jaring de Jong ( bakker van de Triemen), David Kloosterman (leider), Sjirk Bosgraaf, Wiebe Veenstra, Lieuwe Huisman, Durk Bosgraaf, Lykele van der Veen?
Middelste rij v.l.n.r.: Renze Kloosterman, Lieuwe Huisman ( e.v. Frouk), Gosse Wijma, Jacob de Jager, Bearn Dantuma, Pieter van der Werf, Heine van Assen, Thomas Visser, Pieter Tuinstra
Voorste rij v.l.n.r. Sjirk Loonstra, Jacob Huisman, Arjen Veenstra, Heine de Bruin.

29. Sjuk van der Heide was niet bang voor landwachters


Dit is de woning op de Trekwei 1, waar Sjuk en Wietske van der Heide woonden. (op de foto staan eerdere bewoners Heine van Assen en zijn grootmoeder Froukje)

Sjuk van der Heide woonde aan de Trekwei 1, waar later Roel Nicolai en zijn gezin woonden. Sjuk en grutte Wobke moesten ”sjitgatten grave” in de berm van de Trekweg. De beide mannen hadden niet zo veel zin in dit werk. Toen ze in de verte Duitse landwachters aan zagen komen sloeg Wobke Westra (van Hústernoard) zijn schep kapot. Hij kon van de landwachters bij Sake Dieuwke van der Werf wel een nieuwe schep ophalen. Niet iedereen durfde het aan tegen landwachters te zeggen: “Ik doch gjin wurk foar jimme”. Sjuk van der Heide wel. Ze namen hem mee, maar fouilleerden hem eerst. Hij had een steeksleutel bij zich. Deze werd door de landwachters in de Trekvaart gegooid. Hij zou naar Drenthe moeten om daar putjes te graven. Sjuk verbleef één of twee dagen in Dokkum. “Hy hat der neat wer fan heard”, aldus Anne Huisman.
Op de foto de woning van Sjuk en Wietske van der Heide. (op de foto staan eerdere bewoners Heine van Assen en zijn grootmoeder Froukje)
30. Pier de Vries naar kamp in Wilhelmshaven


Pier de Vries van de Wouddijk o/d/ Oudwoude

1940 De boerderij van de familie Witzenburg (later Hoeksma)

Pier de Vries ( geb. in 1921) woonde aan de Wouddijk onder Oudwoude. Door de oorlog had Duitsland geen arbeidskrachten meer om te werken in hun fabrieken. Zodoende werden mannen uit Nederland opgeroepen om zich te melden om daar te moeten werken ( Arbeitseinsatz). Pier de Vries bleef mooi thuis. Op een dag (februari 1945) was hij op de motor onderweg waarschijnlijk naar klasgenootje Trijntje Witzenburg aan de Weerdebuorsterwei. Onderweg werd hij door een Duitse militair( De Platnoas, in de volksmond genoemd) opgepakt, want hij had geen Ausweis bij zich en moest mee naar Leeuwarden. Daarna werd hij op transport gezet naar kamp Schwarzerweg in Wilhelmshaven. De omstandigheden waren daar erg slecht. Pier de Vries is daar na  4 weken ( 14 april 1945) overleden door ziekte, mede door luizen, die gaten in zijn huid hadden gemaakt.

 31. Oproep van het Gewestelijk Arbeidsbureau

Vertrek naar Duitschland

De Deutsche Abteilung van het Gewestelijk Arbeidsbureau in Leeuwarden plaatste de volgende waarschuwing in de krant.
Iedereen, die een oproep had gekregen en niet op kwam dagen, kreeg opnieuw een oproep en werd dan met den sterken arm gedwongen om af te reizen naar Duitschland en dan naar een andere bestemming dan de oorspronkelijke, maar met minder gunstige arbeidsvoorwaarden.
33.Bevel voor aanmelden arbeidsinzet

Op bevel der Duitsche Weermacht moeten alle mannen van 17 t/m 40 jaar zich voor den arbeidsinzet aanmelden!
Onmiddellijk na ontvangst van dit bevel moeten de jongemannen met de voorgeschreven uitrusting op straat gaan staan. Alle andere bewoners, ook vrouwen en kinderen moeten in de huizen blijven totdat de actie beëindigd is.
Het is aan alle inwoners der gemeente verboden hun woonplaats te verlaten. Op hen, die pogen te ontvluchten of weerstand te bieden, zal worden geschoten.


34. De algehele verduistering gaat met ingang van heden in!

Ieder ingezetene wake er voor, dat zijn huis geen licht uitstraalt.

Voert kalm maar precies elke last uit, welke in deze ogenblikken moet worden opgelegd.

35.Alle klokken vooruit, zelfde tijd als in Duitsland


In de Telegraaf van donderdag 16 mei 1940 stond vermeld,
dat hedennacht in Nederland om 24 uur dezelfde tijd als in Duitsland wordt ingevoerd.
Daarom moeten alle klokken om 24 uur zóó gezet worden, dat ze 1.40 aanwijzen

36.Clandestien slachten was riskant


Fokke Veenstra met paard en wagen

Fokke Veenstra, ze woonden aan het einde van de Van Teijenswei, adres is Trekwei 8
In de oorlog waren de meeste levensmiddelen schaars of op de bon.
Het illegaal slachten van bijvoorbeeld een varken of schaap was één van de manieren om aan voldoende vlees te komen, maar het was riskant. Als je betrapt werd stond er een fikse straf op. Dit overkwam Fokke Veenstra(1900-1965) ( e.v. Getje Postma, 1894-1935) uit Westergeest, hij kreeg twee maanden gevangenisstraf.
Fokke was niet de enige dorpsgenoot , die illegaal slachtte. Jan de Vries ( 1916-1992) ( e.v. Pietertje Kempenaar( 1917 -1976)had al meerdere malen geslacht, hij stak dan een helpende hand uit als ene Klaas Visser slachtte. Eis en vonnis 6 maanden gevangenisstraf, maar Jan ging in hoger beroep. Jan en Pietje woonden naast het lokaaltje aan de Van Teijenswei

37.Wenskaarten voor soldaten

38.Anne Huisman half jaar bij de PTT in Duitsland

Anne Huisman van de Bumawei 3 is 45 jaar PTT postbesteller geweest tot aan 31 december 1968. Tijdens de bezettingsjaren was hij een half jaar als PTT’er in functie in Suhl, Duitsland (DDR). Hoe hij ook had geprobeerd om er onderuit te komen, begin januari 1943 moest hij werken in Duitsland. Anne was daar in de kost bij een weduwe, maar het eten was slecht. Toen hij na een half jaar voor 11 dagen met verlof terugkeerde naar huis woog hij nog maar 100 pond. Hij had besloten om niet terug te keren naar Duitsland. Anne moest af en toe onderduiken, maar was ook regelmatig thuis. Op een dag kreeg zijn vrouw Jantje een seintje van politieagent Schaafsma, dat hij ’s avonds op bezoek kwam om te controleren of haar man ook thuis was. Dan wisten ze genoeg! Hij heeft een tijd ondergedoken gezeten in Surhuisterveen bij zijn zwager in een boerderij, waar meer onderduikers zaten. Daar beleefden ze een angstig moment, toen er een Duitser in huis was en een onderduiker tegen de deur bonkte. De Duitser hoorde dat ook, maar ze dachten dat het wel een koe geweest zou zijn.. En later ook bij Arend en Saakje Galema op it Langlân bij It Mounehiem. “De ratten rûnen ús oer de kop. Mar it wiene hiele bêste minsken”.
Jantje verzorgde het postkantoor en stuurde af en toe een brief naar Suhl via Leeuwarden, waar haar man zogenaamd aan het werk was. Zo speelde zij het spel mee. Anne was vroeger horlogemaker geweest, dus kon hij hier nog wat geld mee verdienen om klokken of horloges te herstellen.

Woning van Arend en Saakje Galema

39.Geallieerde vliegtuigen zullen levensmiddelen uitgooien boven het bezette gebied

 

Uit de Kollumer Courant van 27 april 1945
De vijand, die verantwoordelijk is voor de voedselvoorziening  heeft verzuimd voldoende voorraden aan te leggen. Het geallieerde opperbevel heeft nu last gegeven u van voedsel te voorzien door middel van pakketten die door vliegtuigen, voornamelijk door bommenwerpers, zullen worden uitgeworpen. De pakketten zijn zwaar, dus zoek dekking. Verdeel het voedsel eerlijk! Ten slotte wordt den Duitschers de raad gegeven, in hun eigen belang, mee te helpen aan een eerlijke verdeeling onder de bevolking.

40.Pieter Loonstra overleden in Japans gevangenschap in 1944

Pieter Loonstra was geboren in Westergeest op 2 februari 1912, zoon van Sipke Loonstra en Trijntje Bosgraaf. Pieter was Europees Korporaal bij de KNIL

Toen er door het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger (KNIL) “flinke, goed oppassende jongemannen van 18 – 30 jaar (ongehuwd)” werden gevraagd, reageerde Pieter. En hij vertrok in 1938 per boot naar Indië. Daar raakte hij in maart 1942 betrokken bij de oorlog met Japan. Hij werd krijgsgevangen gemaakt en uiteindelijk ingezet bij de aanleg van de 415 kilometer lange beruchte Birma-Siam spoorlijn door Thailand en Birma. Onder erbarmelijke omstandigheden vonden zo’n honderdduizend dwangarbeiders naar schatting de dood.

Brigadier Pieter Loonstra werd ziek en overgebracht naar een hospitaal in Saigon. Daar kwam hij te overlijden op 5 mei 1944 en daar werd hij begraven. Later werd hij herbegraven op het Kranji War Cemetery in Singapore.

Voor de familie in Fryslân was het een onzekere tijd ,want in 1944 werd de naam van hun zoon als krijgsgevangene nog genoemd in meerdere dagbladen.  Zij kregen in april 1946 pas bericht van zijn overlijden.

41.Pieter van der Haak was werkzaam bij de Burgerwacht

Pieter van der Haak ( geb. 29 april 1889) was getrouwd met Jitske van Assen( geb. 13 februari 1904). Het zijn de ouders van Frouwkje Bijlstra – van der Haak(echtgenoot van Jacob Bijlstra).De burgerwacht in Nederland werd in 1918 gevormd om op te treden tegen ‘revolutionaire woelingen’. Burgers in het uniform van de Vrijwillige Burgerwacht oefenden in het hanteren van wapens. Zij waren in deze zin de opvolgers van de in 1907 opgeheven schutterijen. De lokale verenigingen waren verenigd in de Nederlandse Bond van Vrijwillige Burgerwachten welke in 1940 door de Duitse bezetter tijdens de Tweede Wereldoorlog ontbonden werd en daarna niet meer heropgericht werd.
Op de foto Pieter van der Haak, de armband van de Burgerwacht. Ingevolge de opdracht  van Het Duitse Bezettingsbestuur om den Bijzonderen Vrijwilligen Landstorm te ontbinden, wordt P. van der Haak ontheven van zijn verbintenis.

42. Pieter van der Haak was ook werkzaam bij de Luchtbescherming.

Pieter van der Haak ( geb. 29 april 1989) was getrouwd met Jitske van Assen( geb. 13 februari 1904). Het zijn de ouders van Frouwkje Bijlstra – van der Haak(echtgenoot van Jacob Bijlstra). Hun adres was Westergeest 57.Hij was timmerman/ eigenaar Bouwbedrijf van der Haak. Op de foto Pieter van der Haak, aanstellingsbewijs L.B. en een Ausweis.



43. Alle verzetsstrijders in Kollumerland

44 Juf Klaske Salverda op school Triemen.

Klaske Salverda was onderwijzeres aan de Christelijke lagere school in de Triemen. Ze was getrouwd met Mindert Veenstra, die de nationaal-socialistische ideologie aanhing. Klaske werd erg door hem beïnvloed. Het huwelijk loopt stuk en  later krijgt Klaske een relatie met Jan Wierds Veenstra uit Zwagerbosch, die Friese Les geeft aan de school. Jan krijgt een baan op het distributiekantoor in Buitenpost en sluit zich na een poosje aan bij de NSB. Ze krijgen 3 kinderen, een dochter geboren in 1941 en Jan in 1942 en later nog een dochter.

De bevrijding. Iedereen is blij, maar voor het gezin Veenstra breekt een moeilijke tijd aan. Op 17 april 1945, een klop op de deur en twee jongemannen in blauwe overalls arresteren het gezin. Zij worden op een “kar van schande” afgevoerd. Vader Jan gaat naar een interneringskamp Nuis in Marum. De rest van het gezin naar kamp Wilhelminahoeve in Opende. Jan mocht zijn vader nog één keer zien en een kusje door het gaas geven. De twee oudste kinderen gaan naar familie. Klaske blijft met de pasgeboren baby in Opende. Vader Jan overlijdt in ziekenhuis en wordt begraven in Kollumerzwaag. Klaske komt op 6 mei vrij en gaat in Doezum wonen en wordt daar weer onderwijzeres. Jan heeft zijn jeugd als zeer traumatisch ervaren. Hij is uit huis geplaatst en verbleef veel in pleeggezinnen. Veel later, toen hij veel te weten was gekomen over zijn vader kiepert hij de grafsteen van zijn vader in het Prinses Margrietkanaal. ”Doei heitie” waren zijn laatste woorden gericht aan zijn vader. Hij overlijdt als een verbitterd man, die zijn verleden niet heeft kunnen verwerken.
Op de foto Juf Klaske en daaronder zoon Jan.

45. Er werden wapens gedropt bij Aalsum als de code “ de worm heeft rode haren” te horen was en later: “Jan is een grote jongen”. En boerderij Wietse de Vries


Foto september 2025


De boerderij van Wietse de Vries

Het gezin Wietse Berend de Vries in Wouterswoude was een toevluchtsoord voor jongemannen, die niet thuis durfden te blijven. In oktober 1944 aanvaardde men een groot risico door bij Aalsum gedropte wapens op te bergen. Het droppen was tijdens de nachten van 19, 22 en 28 oktober en 24 november 1944. Met een praam van houthandelaar Pieter Gerke Oberman uit Dokkum, die geladen was met bieten voor Lolke Kramer uit Dantumawoude, werden de wapens in het holst van de nacht via de Zwemmer naar Wietse de Vries gebracht. Bij de Lange Brêge nam Lolke Kramer de praam over van illegale werkers uit Kollumerland. Bij Wietse de Vries werden de wapens gelost. De volgende dag haalde de veehouder de bieten uit de praam, toen bleek dat er een sten was blijven liggen. Vervolgens vond er een wapeninstructie plaats op het erf. De familie de Vries had wel een half jaar de wapens onder dak. Het gaf meermalen grote zorg in het gezin.

46. Halifax neergestort bij Bûnte Houn

Op 5 mei 1943 is een Engels vliegtuig, Halifax bommenwerper HR667 neergestort nabij de Bûnte Hûn.
Aan boord zaten:
1. Squadronleader John Bernard Flowerdew, 29 jaar
2.Pilot officer/navigatorDonald Edward Grant, 24 jaar
3. Flight sergeant Peter Edward Tiller, 19 jaar
4.Sergeant Johna George Stanley Dutton, 23 jaar
5. Sergeant George Rose, 31 jaar
6. Flight sergeant Kenneth Howard Buck, 20 jaar
7. Pilot officer Harold George Raymond Chiverton, 21  jaar

Hun toestel vertrok op 4 mei 1943 vanaf de RAF-basis Pocklington om de Duitse stad Dortmund te bombarderen. De lading bestond uit fosforbrand- en brisantbommen.  Even na middernacht werd het Britse toestel beschoten door Leutnant Robert Denzel, waardoor het in brand vloog en in de lucht explodeerde en nabij de Bûnte Hûn neerkwam. Twee bemanningsleden konden vrijwel direct teruggevonden worden, Rose en Buck. Zij hebben een graf gekregen op het kerkhof in Westergeest. Er werden tijdens de begrafenis saluutschoten afgevuurd. De overige bemanningsleden zijn niet teruggevonden. De motoren verdwenen in de grond en zijn later opgegraven.

Verhalen van ooggetuigen van de Crash van de Halifax
Nadat het vliegtuig in de lucht geëxplodeerd was, vielen de eerste brokstukken neer ten westen van de boerderij van Oebele Vries op Keatlingwier, een houten propeller bekleed met kunststof, die later als dampaal is gebruikt.

Dan giert het vliegtuig over de Zwemmer richting de woning van de familie Sipma. Minze Sipma was 13 jaar en ging kijken met zijn moeder en broer. Het was één vuurzee. Het regende brokstukken grote en kleine.

Lykele van der Veen woonde op de Triemen, was toen 18 jaar. Hij hoort het vuurgevecht en gaat ook naar buiten.

Ymkje de Bruin was ook ooggetuige. Haar vader had een boerderij, nu camping de Greidpôlle. Zij stond met haar vader te kijken. Een wiel van het landingsgestel sloeg door  het dak van een houten garage naast de boerderij van de familie Sikkens aan de Eelke Meinertswei. Het wiel stuitte er ook weer uit en kwam in een sloot terecht.

Ymkje de Bruin en haar vader waren bang dat het op hun boerderij neer zou komen, maar dat gebeurde niet. Een paar honderd meter zuidoostelijk stortte het in het weiland te pletter. Vlak achter de woning van Minze en Sjoukje Hamstra ( pake en beppe van Minze Sipma) . Vrij snel kwamen Duitse militairen , die het terrein afzetten en de wrakstukken op een vrachtwagen laadden.

Luit Klaver was onderweg van Kollumerzwaag naar Westergeest, waar hij werkzaam was als timmerman bij Pieter van der Haak. Hij zag zijn werkgever bij het neergestorte toestel. Samen hebben ze de staartschutter uit het toestel gehaald. Buiten het toestel lag ook een bemanningslid. De gevonden soldaten waren Buck en Rose.

Eelkje Sipkema-Reinders was de volgende ochtend bij Pietsje van Durk en Fokje Zijlstra. Ze weet nog heel goed dat Pieter van der Haak en Luut Klaver de soldaten op een ladder naar de weg brachten. Ze stonden voor het raam te kijken.

Wellington neergestort aan de Noordkant van Westergeest


Op 13 oktober 1941 is een Wellington bommenwerper X9822 ( Codenaam Johnny) bij Westergeest neergestort.
De zes bemanningsleden, die daarbij omkwamen waren:

1.Sergeant George Frederick Bateman, 21 jaar
2. Sergeant Harold Frederick Eyre, 19 jaar
3. Pilot Officer Frederick Jenkins, 25 jaar
4.Sergeant Harry Richard Legg, 23 jaar
5. Sergeant Ernest Robert Butson Magrath, 28 jaar
6. Sergeant Peter Alan Milton, 20 jaar

Op 12 oktober 1941 om 19.26 uur was hun toestel vertrokken vanaf de RAF-basis Alconburry. Ze hadden de opdracht om een bombardement uit te voeren in Duitsland. “s Nachts op de terugweg raakten ze in gevecht met Duitse nachtjagers.  De Wellington werd om 0.06 uur neergeschoten door een Duitse Messerschmitt, gevlogen door piloot Oblt. Helmut Lent. De kist stortte neer in het open veld bij de Oude Zwemmer bij Weerdeburen, tussen Westergeest en de Wouddijk. De brokstukken lagen verspreid over ongeveer 10 hectare land van Wieger Marten Sikkema. De brokstukken werden door de Duitsers opgehaald. De stoffelijke resten van de bemanning werden naar het baarhokje op de begraafplaats gebracht en later met militaire eer begraven.

Ooggetuigen van de crash van de Wellington

Pier Bosma, die aan de Dellenswei woont, werd wakker en ziet in het noordwesten een vuurgloed. Zijn vader gaat kijken waar het vliegtuig was neergestort, maar kan niets meer doen.

Willem Sikkema woont aan de Wouddijk. Hij is 14 jaar, mocht pas gaan kijken als de bemanning was weggehaald. De onderdelen liggen tot ver in de omtrek verspreid. Wat veel indruk op hem maakte waren de afdrukken van de lichamen in de grond, wel 25 cm diep.
Wieger Sikkema en Wieger Bosma kregen de opdracht om alle brokstukken op een wagen te laden en naar een vrachtwagen van de Duitsers te brengen, die het dan naar Utrecht brachten voor nader onderzoek.
De Duitse militairen, die bij de crashlocatie aanwezig waren, werden ingekwartierd bij de familie Bosma en Sikkema. Het bootje van Johannes Wijbenga  werd gebruikt om de Oude Zwemmer over te steken.

De bemanning werd in kisten gelegd door Dictus van der Veer, bode van de begrafenisvereniging en Willem Jonker, grafdelver. Ze werden met boerenwagens naar de kerk gebracht.
Op de foto links: Achter v.l.n.r. Dictus van der Veer en Willem Jonker. Voor v.l.n.r. Pieter van der Haak en Andries Dijkstra. Rechts een tijdelijk houten gedenkkruis op hun graf.

De begrafenis werd geleid door dominee Luuring. Het vuurpeloton, groot 15 man loste viermaal een schot boven het graf. Na het militaire saluut is de plechtigheid geëindigd en verlieten de soldaten het kerkhof.

Zelf tabak verbouwen (eigen bou), drogen en roken en vervoer van melk onder de jas
Er waren in de oorlog geen sigaretten, sigaren of tabak meer verkrijgbaar. Dus besloot men ze zelf te verbouwen, ook al is het klimaat en de grond in Nederland daar niet heel geschikt voor. Maar men probeerde wel een tabaksplant te kweken van ruim een meter hoog. De bladeren werden dan aan een touw geregen en opgehangen, soms in een kippenhok of bij een kuilbult, want het moest broeien. Daarna moesten ze naar de smid om de bladeren te snijden. Het resultaat was doorgaans een mengeling van groffe tabaksdraden en veel bruingroen kruimelwerk. Lekker of niet, het was te roken. Ook deed men wel zaagsel of fijngemaakte blaadjes van de hagedoorn in de pijp  en dan roken. Eabele Adema weet nog, dat zijn pake wel tabaksplanten kweekte, maar dat was waarschijnlijk na de oorlog>
Jan Brouwer vertelde, dat zijn vader ook tabaksplanten verbouwde, zowel voor pruimtabak  als voor shag. De bladeren werden gedroogd op de “hokszolder”. Als ze droog waren, gingen ze er mee naar de smid, die had een machientje om ze te snijden. Jan nam van school een (overtrek)blaadje uit een tekenschrift mee, dat gebruikt werd als vloei. Toen de Canadezen over de Trekweg aankwamen rijden met de bevrijding, gooiden ze pakjes sigaretten naar de mensen, die aan de kant stonden te juichen. Jan zijn vader kon een pakje sigaretten bemachtigen. Jan kreeg toen ook zijn eerste sigaret.

De melk was op de bon, maar wilde men meer melk halen bij een boer, dan werd daar een oplossing voor gevonden. Het was een twee liter melktankje in de vorm van het lichaam, dat onder de jas verstopt kon worden. Wel moest men oppassen dat de landwachters hen niet bij de boer hadden gezien.

Wie waren de “Platnoas” en “de skrik fan Dokkum”?

Meerdere keren komt in de literatuur de naam “Platnoas” voor. Iedereen was bang voor deze man. Hij was bij de Feldgendarmerie en gelegerd in Dokkumer Nieuwe Zijlen. Hij speurde o.a. jongemannen op, die niet voor de Arbeitseinsatz naar Duitsland uitgestuurd wilden worden om daar te werken. Zo pakte hij ook Pier de Vries van de Wouddijk onder Aldwâld op, die naar het strafkamp Schwarzer Weg in Wilhelmshaven werd getransporteerd. De werkelijke naam van de Platnoas kunnen we niet achterhalen.

In de omgeving van Dokkum was de gevreesde man Karl Himmstedt, die de “Skrik fan Dokkum” werd genoemd. Hij heeft op 7 januari 1945 Minze en Bartel Vries opgepakt, zoons van Oebele Vries en Trijntje Vries- van der Ploeg te Keatlingwier. Bartel is dezelfde dag weer vrijgelaten. Hij was niet ondergedoken, maar broer Minze wel. Bartel was meegenomen naar Dokkum, omdat hij zich tegen de arrestatie van zijn broer verzette. Minze moest ook naar het strafkamp in Wilhelmshaven, waar hij ook Pier de Vries ontmoette. Pier overleed daar op 14 april 1945. Vijf dagen later kwam Minze weer thuis in Keatlingwier.

Karl Himmstedt kwam in 1949 voor het tribunaal en kreeg vijf jaar.


(Op de foto’s boven de boerderij van familie Vries en de foto eronder de familie Bloemsma met Duitse soldaten en rechts vooraan Bartel Vries en achteraan rechts Minze Vries. Ze hadden geholpen om de brokstukken op te ruimen van de bommenwerper, de Whitney, die in de nacht van 27 februari 1942 ten zuiden van Driezum achter de boerderij van Bloemsma neergestort is. (De foto is gemaakt door een Duitse legerfotograaf.)

Broers Masolijn bij Klaas en Willemke Kooistra en bij Pieter en Jitske van der Haak


Klaas en Willemke Kooistra woonden aan de Kertiersreed en hadden daar een kleine boerderij.Toen er vanuit Roermond evacuees naar Westergeest werden gebracht, had iedereen een plekje toegewezen gekregen, maar bleef Keub Masolijn over. Dochter Boukje Kooistra vond dat niet kunnen en  nam hem mee naar huis. Ook na de oorlog is er nog steeds contact over en weer. Op de begrafenis van Klaas en Willemke Kooistra waren Keub en zijn vrouw Greet ook aanwezig en in 1992 zaten ze met de familie Kooistra aan het diner. Op de foto links Klaas en Willemke Kooistra en ernaast Greet en Keub met Wierd en Ymie Kooistra  aan tafel en eronder Keub.


Dit jongetje in het matrozenpakje is Sjeng Masolijn, de broer van Keub. Hij was bij Pieter en Jitske van der Haak, de timmerman in het dorp. Sjeng is na de oorlog weer even terug geweest in Westergeest, want hij had een oogje op een meisje in Westergeest, maar toen bleek dat zij al verkering had is, heeft hij gekozen voor het vreemdelingenlegioen. Hij heeft dat overleefd en is later getrouwd en in Limburg gaan wonen. (Het Vreemdelingenlegioen wordt veelal afgebeeld als een plaats waar mannen naartoe gaan om “te vergeten” en een nieuw leven te beginnen.)
Op de foto Pieter en Jitske van der Haak met 3 kleinkinderen.

 

Wordt vervolgd op pagina 3 van de expositie d.d. 5 mei 2025

 

 

 

 

 

Share This:

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Algemeen

Familie Willems als evacuee in Westergeast

In het bericht over de expositie van 5 mei 2025 staat al veel beschreven over de familie Willems, die vanuit Roermond naar Westergeast zijn gereisd om hier blijkt achteraf voor een periode van 4 maanden te verblijven.

Jacques Willems is nog de enige uit het gezin met 10 kinderen, die nog iets kan vertellen over hun verblijf in Westergeast.

Op de vraag of Jacques zich nog iets kon herinneren van de tijd toen ze uit Roermond moesten vertrekken schreef hij het volgende:
Over ons vertrek uit Roermond herinner ik mij nog wel een aantal feiten. Allereerst: ik weet dat mijn vader (wanneer weet ik niet) een brief geschreven heeft aan een krant over het vertrek uit Roermond. Waar die brief gebleven is (ik heb hem wel gelezen) weet ik niet.
Ik moet nu putten uit mijn herinneringen: Mijn vader was nog niet zo lang teruggekeerd van de Arbeitseinsatz in Duitsland. We zijn door de Duitsers geëvacueerd!!
We kregen van de Duitsers bevel om te verzamelen op een plein (Wilhelminaplein) in Roermond om vandaar te voet naar Brüggen in Duitsland te gaan. Toen we met het hele gezin op het Wilhelminaplein aangekomen waren kwam er een Duitse Hauptman naar ons toe en vroeg gegevens.
Nadat hij van de toestand op de hoogte was gesteld zei hij: “deze familie gaat niet te voet naar Brüggen!”. Hij zorgde ervoor dat wij met een vrachtauto naar Brüggen werden gebracht en met goederenwagons werden wij toen naar Friesland vervoerd.
Hoe lang we onderweg zijn geweest weet ik niet meer, maar wel dat we onderweg vaak stilstonden, ook door beschietingen.
Ons eindstation in Friesland was Buitenpost. Daar werden we “uitgeladen” en moesten we wachten.
Dat wachten duurde zo lang dat mijn vader met Jan te voet op weggingen naar Kollum en later naar Westergeast.

In mijn gedachten zijn we met boerenkarren naar Westergeest vervoerd en in de kerk kregen we te horen wie bij welke familie werd ondergebracht.
Al met al een hele toestand!! 
De reden dat we moesten verhuizen was niet de honger, maar omdat Roermond (als spoorwegknooppunt) onder vuur kwam te liggen van de geallieerden. De toren van de kathedraal van Roermond (een uitkijkpost voor de artillerie) is toen ook vernield. Van de terugkeer naar huis is mij vreemd genoeg helemaal niets bijgebleven. Maar het huis was gelukkig niet vernield (wel een aantal dingen die gestolen waren) maar er stak wel een stuk spoorrails door het platte dak van de keuken.


Jacques en zijn vrouw Isabella

Inmiddels is de brief van vader Willems opgedoken:

Vader Willems heeft een uitgebreid verslag geschreven hoe de evacuatie vanuit Roermond naar Westergeest is verlopen:
Evacuatie-Wel- en – Wee.

De lange reis van 4 dagen van Roermond naar Westergeast en het verblijf van 4 maanden
Op 23 januari 1945
kregen wij door de Grüne Polizei aangezegd, dat wij binnen één uur op de Sammelplatz moesten zijn, achter het Ziekenhuis. De datum vergeten we niet snel, daar die dag mijn vrouw 40 jaar werd. Van een verjaardagsgift is echter niets gekomen; de pot met aardappelen is op de kachel blijven staan! Op die dag waren er naar ik meen reeds meerdere straten geëvacueerd.

Toen wij met onze tien kinderen van 2 tot 14 jaar, op weg waren naar de Sammelplatz (het noodzakelijke om mee te nemen opgeborgen in twee kinderwagens) kwam de Grüne Polizei ons achterop. Wij zien hem nog zijn hoofd schudden, en direct daarna kwam hij op ons toe met de boodschap, dat wij niet naar de Sammelplatz zouden gaan, maar naar het Wilhelminaplein, van waaruit wij per vrachtauto naar Brüggen zouden worden vervoerd. De op het Wilhelminaplein aanwezige Duitse bewakers kregen blijkbaar een stringent advies, want toen de vrachtauto arriveerde ging één der bewakers er voor staan met de armen wijd gespreid: “Auf Befehl von der Hauptmann, muss die Frau mit die zehn Kinder erst herein.”

Zonder ongelukken of beschieting kwamen wij op deze manier vlug in Brüggen en bij aankomst aldaar werd gevraagd, wie direct naar een gereedstaande trein wilde gaan, om door te reizen. Wij verklaarden ons direct bereid, maar inmiddels kwam een seintje binnen, dat de trein vertrokken was. Ook in die trein moeten een aantal Roermondse gezinnen geëvacueerd zijn, want van mensen, die in die trein hebben gezeten, vernamen wij nadien, dat hun trein vijf dagen had rondgezworven, zodat zij pas na ons in Friesland zijn aangekomen.

Op de zolders van de pannenfabriek in Brüggen was het toen nog redelijk, er lag heel wat stro, dat toen echter al aan het kort worden was, zodat wij menen te mogen aannemen, dat reeds verschillende dagen daar gezinnen hadden geleefd en geslapen. Op 23 januari was de situatie er nog zo, dat wij ‘s avonds dikke erwtensoep kregen, waarin ook vlees voorkwam; deze was gekookt door in Brüggen aanwezige Russen.

Op 24 januari was er ‘s morgens een Heilige Mis opgedragen, naar ik meen, door de Z.E. Heer Sondaal. In de voormiddag kwam een delegatie van het Rode Kruis uit Roermond, die margarine en worst verdeelden naar gelang de gezinsgrootte. Zij hadden ook brood bij zich, maar verzochten, dit ter beschikking te willen laten van de gezinnen, die niets bij zich hadden. Tegen 3 uur in de middag kregen wij opdracht naar de trein te gaan, die gereed stond. Het waren alleen goederenwagons, waarin wat stro lag. Dit was niet ververst, dus vochtig en klam. Wij hadden het geluk, terecht te komen in een Neurenbergse wagon voor speelgoed, die dus behoorlijk ruim was. Dokter Bär maakte nog een gang langs de vele wagons, of hij nog ergens kon helpen. Inmiddels arriveerde tegen donker worden nog een transport gezinnen van Linne en St. Odiliënberg, die al een paar weken hadden doorgebracht in een “Lager” in Kaldenkirken en die ook nog in de al volle wagons werden gepropt. Nadat wij meer dan 8 uren in de wagons hadden doorgebracht vertrok de trein tegen half een ‘s nachts. Half zittend, half liggend hebben wij die nacht doorgebracht, maar blijkbaar heeft toch iedereen redelijk geslapen, want niemand heeft bemerkt, dat wij over één der Rijnbruggen zijn gekomen. Toen op 25 januari de dag begon aan te breken, zagen wij als eerste het station Dorsten. In Coesfeld, waar de trein geruime tijd heeft gestopt, zag men al gauw een eindeloze rij van mensen zitten, die hun natuurlijke behoeften moesten doen! Het stations personeel van Coesfeld heeft zich beijverd, om zoveel mogelijk mensen te voorzien van een slok warme koffie; voor iedereen een volle kop was ten enen male onmogelijk.

We gingen steeds verder noordwaarts. In Rheine was blijkbaar de afgelopen nacht gebombardeerd, want overal waren kraters en op het emplacement lagen de locomotieven met de raderen omhoog. Wij passeerden Lingen en Meppen en nog steeds gingen we verder noordwaarts. Er begon in de trein enige zorg te rijzen of we nog wel in Nederland zouden terugkomen, of dat men ons naar Denemarken zou transporteren. Er was nog maar één mogelijkheid, want we moesten Papenburg aandoen en vandaar was nog een spoorlijn naar Groningen.. En ja, in Papenburg werd de trein op een ander spoor gezet. Er kwam een andere locomotief voor en toen ging het werkelijk weer eens westwaarts. Inmiddels was de avond gevallenen het was bitter koud. Het vochtige stro was vastgevroren aan de vloer van de wagons en toch het is typisch. Er heeft geen van de vele in de wagons aanwezige kinderen geschreid of geklaagd.

Tegen middernacht kwamen we in Groningen aan en iedereen begon de bagage naar buiten te werken, daar in Papenburg was gezegd dat Groningen het einddoel was. Maar al heel spoedig kwamen Duitse militairen met de boodschap: Alles weer inladen, want we zouden doorgaan naar Leeuwarden. Op hoop van zegen, maar weer de wagon in en na de nodige tijd van wachten ging de trein weer. Op het moment dat wij in Groningen waren, waren daar ook de ouders van mijn vrouw, toen tijdelijk ondergebracht in de “Harmonie”. Maar wie wist iets van wie in die tijd, nadat van begin september alle verbindingen waren verbroken.
Na rond een half uur rijden stond de trein weer stil. “Leeuwarden?”werd gevraagd, maar neen dat kon nog niet. Weldra kwam er gebons op de deuren van de wagon: Alles heraus! Wij bleken in Buitenpost te zijn, waar het laatste deel van de trein was afgehaakt, terwijl het voorste deel door ging naar Leeuwarden. De evacuees werden vrijwel gelijkelijk verdeeld over de Hervormde en de Gereformeerde kerk. Deze laatsten bleven in de gemeente Achtkarspelen, waarvan Buitenpost het centrum is, terwijl de mensen uit de Hervormde kerk naar de gemeente Kollumerland en Nieuw Kruisland moest.

Wagens met melk van Zuivelfabriek Huuster Noord kwamen aan
Het was behaaglijk warm in de Hervormde kerk en weldra begonnen hoofden en hoofdjes te knikken. Dit duurde echter niet lang, want al spoedig na aankomst kwamen één of meer wagens van Zuivelfabriek “Huus ter Noord” met warme melk. Menig ouder kreeg het wel even te kwaad, als zij of hij de kinderen zag smullen van die volle melk, nadat ze zich al zo lang hadden moeten behelpen met een aanlengsel van taptemelkpoeder. En het deed je wel iets, als je de kinderen hoorde zeggen: “Moeder, zou ik nog een beker melk mogen vragen?.

Tegen negen uur ’s morgens (26 januari) kwamen tal van boerenwagens om de mensen te vervoeren van Buitenpost naar Kollum. Daar het nog bitter koud was, besloot ik te lopen, daar de afstand toch slechts ruim een uur is. Onderweg haalden we- mijn oudste zoon was bij me- een vrachtrijder in met paard en wagen en liepen met hem op naar Kollum. Zodoende was ik al behoorlijk georiënteerd, toen ik in Kollum aankwam. Ik wist dat er slechts één Roomse familie woonde, waarvan het hoofd ook in het evacuatie-comité zat. ”Als er iets was”, zo zei de vrachtrijder, dan moest ik maar vragen naar de heer Heger. Hij vertelde ons tevens dat de burgemeester NSB-er was. Maar geen gevaarlijke, terwijl de gemeentesecretaris 100 procent Nederlander was. Het kwam wel te pas, dat ik enigszins georiënteerd was, want nauwelijks in de zaal waar de inschrijving plaats vond, hoorde ik enkele heren van gedachten wisselen over sommige zeer moeilijke namen van “Die Limburgers”, want die namen leken wel Russisch. Ik heb toen maar even naar die mijnheer Heger gevraagd en hem meegedeeld, dat het hier ging om meerdere Russische meisjes, die verplicht te werk gesteld waren door de Duitsers in Roermond, maar die daar ondergedoken waren en nu met ons allen waren geëvacueerd. Na overleg met het comité kreeg ik te horen, dat deze meisjes zover mogelijk ”in het land”op afgelegen  boerderijen zouden worden geplaatst, om ontdekking door de Duitsers te voorkomen.

Na bad en ontluizing werden we ingeschreven in een ziekenfonds; de premie werd blijkbaar door gemeente of Rijk voldaan. Ook kregen we distributiekaarten en toen begon de verdeling over de verschillende dorpen. Tevoren werd echter gevraagd of bepaalde gezinnen met elkaar wilden optrekken naar dezelfde plaats, dat daar dan rekening mee zou worden gehouden. Hiervan werd dankbaar gebruik gemaakt. Inmiddels had de Zuivelfabriek “Huus ter Noord” gezorgd voor een grote hoeveelheid stamppot van aardappelen, koolrapen en vlees. Iedereen kon nu weer eens genoeg eten. Er bleken in Duitsland enkele gedeporteerde jonge arbeiders de kans te hebben gezien, zich in wagons van de trein te smokkelen. Het was gewoon ongelooflijk, welk een hoeveelheid stamppot sommige van deze jongelui konden verorberen!

Na nog een nacht te hebben geslapen in het stro in een ijskoude school (men kreeg de verwarming niet aan het functioneren) kwam de laatste fase van de evacuatie-lijdensweg. Op boerenwagens in felle sneeuwbuien werden we op 27 januari 1945 nu gebracht naar het dorp, waar we ruim 4 maanden zouden doorbrengen. In de Hervormde kerk in Westergeest werden we samengebracht en na nogmaals de dis met stamppot te hebben
aangedaan, werden de evacuees gedistribueerd. In het land van de Wietzes en Sietzes waren de Limburgse voornamen blijkbaar niet zo bekend, want op een gegeven moment komt van de preekstoel, waar de voorzitter van het comité zich had geïnstalleerd, met de vraag: “Franciscus Schmitz, is dat een jongen of is dat een meisje?” Dat deze vraag met een daverend gelach van de evacuees beantwoord werd, ligt voor de hand.

Mijn vrouw had al enkele keren gevraagd of we bij elkaar zouden kunnen blijven met onze kinderen, maar gezien de behuizing daar was het ten enen male onmogelijk dat in Westergeest iemand twaalf evacuees zou kunnen opnemen. Men kan zich wel de gedachten en gevoelens van een moeder indenken, als zij negen van de tien kinderen met totaal vreemden ziet weggaan en alleen het kleinste bij zich kan houden. Men heeft  zich in Westergeest zoveel mogelijk beijverd de leden van een gezin zo kort mogelijk bij elkaar te plaatsen, zodat wij met ons twaalven, over 9 gezinnen verdeeld, toch slechts maximaal 5 minuten uit elkaar woonden. Met één zoon uit het gezin waar wij onderdak vonden, ben ik diezelfde avond de andere 8 gezinnen nog even gaan bezoeken; de kinderen sliepen allen als rozen en dat stelde mijn vrouw weer gerust.

De kleding en vooral het ondergoed, speciaal van de kinderen, was onvoldoende voor het klimaat en de daar vrijwel steeds heersende wind. Er ontstond dan ook een rage naar schapenwol en Frits, schrijnwerker uit Linne en timmerman van professie, vond al direct emplooi met het maken van spinnenwielen. Goede wol deed f. 0,50 per kilo, maar daar kon men ook heel wat van spinnen. Van prijzen was men daar trouwens wel
op de hoogte. Een pak lucifers kostte in de zwarte handel f. 1,10, dus f. 1,– per doosje.
Wij hadden voor ieder der gezinnen waar wij en onze kinderen waren een pakje thee, waar de Friezen nu eenmaal verzot op zijn. De dag nadat wij deze hadden verdeeld, waren er al handelaars die per pakje f. 80,– wilden geven. Voor een pakje koffie betaalde men f. 150,– en voor een kistje sigaren, dat f. 3,50 had gekost in 1939, kreeg ik 5 kilo prima wol, dus voor een waarde van f. 250,–. Dat deze praktijken zich voor een groot deel beperkten tot de oorlogstijd blijkt uit het volgende:
Toen de bevrijding een feit was, zou ik op de fiets naar Drenthe, waar de ouders van mijn vrouw inmiddels waren terechtgekomen. Mijn vrouw wilde iets bakken voor haar ouders en dus moest ik eieren gaan kopen, die tot dan toe f. 1,– per stuk kostten.
Toen ik voor 10 eieren f. 10,– op tafel legde, kreeg ik er tot mijn verbazing negen terug met de opmerking: “nu de oorlog uit is, moet ook de zwarthandel afgelopen zijn”.

Het was (en is) goed leven in de Friese Wouden, zoals men de zandstreek daar noemt. Brood was er praktisch alleen op de bon verkrijgbaar, maar vlees was er meer dan genoeg, ook buiten het normale rantsoen. Er werd daar elke week wel een noodslachting “georganiseerd”. Het vlees was dan wel duur, maar zoals onze gastvrouw opmerkte:
“We behoeven aan jullie toch ook niet te verdienen!”. Want men kreeg een niet onredelijke vergoeding voor het hebben van evacuees.

De tijd in ledigheid doorgebracht hebben de evacuees in Westergeest zeker niet. Toen het voorjaar aanbrak, zag men hen allerwege op het land werken. De mensen daar hebben trouwens nog wel een en ander van de Limburgers geleerd. Takkenbossen, ook van hakhout, werden daar nog gebonden met stro. Van het binden met wijten van eikenhout had men daar nooit gehoord. Ook de vrouwen hebben hun duit in het zakje gedaan.
Toen de Limburgers in Westergeest kwamen, zagen zij de mergpijpen bij de slager op de mesthoop liggen en één der Friese gastvrouwen maakte de opmerking: Wie heeft er  nu ooit van gehoord dat men van beentjes soep kon maken. Na enkele weken wist de slager van wanten, want toen moesten de beentjes en mergpijpen al een behoorlijke prijs opbrengen.

De aanpassing tussen twee zo verschillende volksgroepen als de Friezen en de Limburgers viel over het algemeen zeer mee. Moeilijkheden komen in de beste families voor, dus waarom in Westergeest niet? Toch waren deze maar sporadisch en ofschoon zeker de helft van de dorpelingen een of meer evacuees in huis had, hebben we slechts enkele “verhuizingen” gehad. Meestal wist het comité deze met tact op te lossen. En wanneer in een bepaald geval onwil in het spel was, wist men ook wel drastische maatregelen te nemen. In een gezin, waar een vader met zijn
zevenjarig zoontje erg onwelkom was, werden deze weggehaald, en in de plaats kreeg dat gezin een oude vrouw, die steeds bedlegerig was en veel verzorging nodig had.
Er is tussen veel mensen in Friesland en Limburg toch wel een band gegroeid door die evacuatie, al hebben sommige Friezen, toen zij ons, Limburgers, de eerste dagen onder elkaar hoorden praten, zich wel eens afgevraagd, of men hen met een stel Duitsers had opgezadeld? Een bewijs van de ontstane band: half januari jl. kregen wij een dringende oproep van het gezin in Westergeest, waarmee wij sinds 1945 het meest contact hebben gehad, om op 27 januari met drie van onze kinderen naar
Westergeest te komen, om het feit te herdenken, dat wij 25 jaren geleden daar waren gekomen. Gezien het weer en de afstand hebben wij dit verzoek in dank moeten afslaan met de belofte, dat wij in de komende zomer dit wel willen overdoen.

Met de geestelijke verzorging ging het, zoals het kon. In Wouterswoude was de tegenwoordige pastoor van Asselt, de Z.E. Heer van Riswick als pastoor onder uitsluitend Arnhemmers, terwijl in Kollumerland, waar vrijwel alleen Limburgers waren, kapelaan Rolff uit Arnhem de zielzorg uitoefende. De Kerkenraad der Nederlands Hervormde Kerk in Westergeest deed aan de dominee het voorstel, de kerk of het catechisatielokaal ter beschikking te stellen voor de kerkdiensten van de Limburgers, maar hij “wenste onder geen voorwaarde mee te werken aan de bevordering of instandhouding van het Roomse bijgeloof”. Lijnrecht hiertegenover
staat de houding van de Kerkenraad van de Gereformeerde Kerk in Buitenpost, die welwillend hun kerk ter beschikking stelde, toen Mgr. Lemmens eens met zijn mensen in die streek in contact wenste te komen. Het zal wel de eerste keer zijn geweest, dat de gewelven van die kerk daveren van het lied van de Sterre der Zee. Het was er overweldigend druk; sommigen waren 6 à 8 kilometer komen gelopen op klompen.

De voorzitter van de Kerkenraad in Westergeest, die het met zijn dominee niet eens was, zocht contact met zijn N.S.B.-burgemeester in Kollum, die direct verlof gaf, elke zondag de openbare school beschikbaar te stellen. Met enkele mensen sjouwden wij daar zaterdags een aantal banken heen, om deze elke maandag weer terug te brengen naar de zaal. Op zondag mochten wij die banken nog halen en terugbrengen, want dan was het rustdag. De eerste zondagen was de belangstelling van de “inboorlingen” van Westergeest soms groter dan die van de evacuées. Later luwde
dit wel, maar een aantal is blijven komen, tot de taak van kapelaan Rolff was afgelopen.

Men wist daar van het katholicisme praktisch niets. Toen wij voor Pasen gingen biechten, vroeg onze gastvrouw, of wij ook onze portemonnee bij ons hadden; op onze vraag waarom zij dit vroeg, was het antwoord, dat wij toch moesten betalen om onze zonden vergeven te krijgen. Op een zondag na de Heilige Mis zat ik te vissen, toen onze gastvrouw hijgend kwam aanlopen: “Willems, daar komt de pastoor van jullie aan”. Op mijn vraag waarom zij zo hard kwam gelopen, was de wedervraag:
“Maar mogen die Roomschen dan vissen op zondag?” De nadere kennismaking met “die Roomschen” scheen toch wel mee te vallen, want in een gesprek over geloofszaken (en die zijn er toen heel wat geweest) kwam onze gastheer met de zeer nuchtere opmerking: “als alle Roomschen zijn, zoals de evacuees hier, dan mag van mijn part de hele wereld Rooms worden”.

De omstandigheden in aanmerking genomen, hadden wij het moeilijk beter kunnen hebben, dan wij het die 4 maanden daar in Westergeest hadden. Toch waren wij maar wat blij, toen we eindelijk begin juni huiswaarts konden keren. Wij wisten inmiddels, dat ons huis nog redelijk bewoonbaar was, en verlangden uiteraard naar weer thuis te komen. Bij het vertrek werden nog wel enige tranen vergoten, want sommigen hadden zich zeer sterk gehecht aan onze kinderen. Wij waren trouwens nog geen maand thuis, of er kwam al iemand van Westergeest, die een van onze jongens
wilde komen halen, want in Friesland werd gezegd, dat er in Limburg nog vrijwel niets te eten was. We konden hem gelukkig overtuigen, dat het anders was, en dat hij met een gerust hart naar Westergeest kon teruggaan. Wij zullen de mensen daar steeds dankbaar blijven!

Anekdote van Jacques:
Over Wim weet ik nog een anekdote die ik nog nergens tegengekomen ben en ik heb dit niet zelf meegemaakt: Wim lag op een keer op zijn buik op een omgekeerde roeiboot {bij de brug waar de Fam. Kuipers woonde) steentjes in de Dokkumer trekvaart aan het gooien, toen hij van die roeiboot afgleed en in het water terecht kwam. Wie alarm heeft geslagen en wie hem uiteindelijk met een dreghaak uit het water gehaald heeft weet ik niet.

 

 

 

Men is bezig in Roermond om een monument te  realiseren.

 

Share This:

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Algemeen