In het bericht over de expositie van 5 mei 2025 staat al veel beschreven over de familie Willems, die vanuit Roermond naar Westergeast zijn gereisd om hier blijkt achteraf voor een periode van 4 maanden te verblijven.
Jacques Willems is nog de enige uit het gezin met 10 kinderen, die nog iets kan vertellen over hun verblijf in Westergeast.
Op de vraag of Jacques zich nog iets kon herinneren van de tijd toen ze uit Roermond moesten vertrekken schreef hij het volgende:
Over ons vertrek uit Roermond herinner ik mij nog wel een aantal feiten. Allereerst: ik weet dat mijn vader (wanneer weet ik niet) een brief geschreven heeft aan een krant over het vertrek uit Roermond. Waar die brief gebleven is (ik heb hem wel gelezen) weet ik niet.
Ik moet nu putten uit mijn herinneringen: Mijn vader was nog niet zo lang teruggekeerd van de Arbeitseinsatz in Duitsland. We zijn door de Duitsers geëvacueerd!!
We kregen van de Duitsers bevel om te verzamelen op een plein (Wilhelminaplein) in Roermond om vandaar te voet naar Brüggen in Duitsland te gaan. Toen we met het hele gezin op het Wilhelminaplein aangekomen waren kwam er een Duitse Hauptman naar ons toe en vroeg gegevens.
Nadat hij van de toestand op de hoogte was gesteld zei hij: “deze familie gaat niet te voet naar Brüggen!”. Hij zorgde ervoor dat wij met een vrachtauto naar Brüggen werden gebracht en met goederenwagons werden wij toen naar Friesland vervoerd.
Hoe lang we onderweg zijn geweest weet ik niet meer, maar wel dat we onderweg vaak stilstonden, ook door beschietingen.
Ons eindstation in Friesland was Buitenpost. Daar werden we “uitgeladen” en moesten we wachten.
Dat wachten duurde zo lang dat mijn vader met Jan te voet op weggingen naar Kollum en later naar Westergeast.
In mijn gedachten zijn we met boerenkarren naar Westergeest vervoerd en in de kerk kregen we te horen wie bij welke familie werd ondergebracht.
Al met al een hele toestand!! De reden dat we moesten verhuizen was niet de honger, maar omdat Roermond (als spoorwegknooppunt) onder vuur kwam te liggen van de geallieerden. De toren van de kathedraal van Roermond (een uitkijkpost voor de artillerie) is toen ook vernield. Van de terugkeer naar huis is mij vreemd genoeg helemaal niets bijgebleven. Maar het huis was gelukkig niet vernield (wel een aantal dingen die gestolen waren) maar er stak wel een stuk spoorrails door het platte dak van de keuken.

Jacques en zijn vrouw Isabella
Inmiddels is de brief van vader Willems opgedoken:
Vader Willems heeft een uitgebreid verslag geschreven hoe de evacuatie vanuit Roermond naar Westergeest is verlopen:
Evacuatie-Wel- en – Wee.
De lange reis van 4 dagen van Roermond naar Westergeast en het verblijf van 4 maanden
Op 23 januari 1945 kregen wij door de Grüne Polizei aangezegd, dat wij binnen één uur op de Sammelplatz moesten zijn, achter het Ziekenhuis. De datum vergeten we niet snel, daar die dag mijn vrouw 40 jaar werd. Van een verjaardagsgift is echter niets gekomen; de pot met aardappelen is op de kachel blijven staan! Op die dag waren er naar ik meen reeds meerdere straten geëvacueerd.
Toen wij met onze tien kinderen van 2 tot 14 jaar, op weg waren naar de Sammelplatz (het noodzakelijke om mee te nemen opgeborgen in twee kinderwagens) kwam de Grüne Polizei ons achterop. Wij zien hem nog zijn hoofd schudden, en direct daarna kwam hij op ons toe met de boodschap, dat wij niet naar de Sammelplatz zouden gaan, maar naar het Wilhelminaplein, van waaruit wij per vrachtauto naar Brüggen zouden worden vervoerd. De op het Wilhelminaplein aanwezige Duitse bewakers kregen blijkbaar een stringent advies, want toen de vrachtauto arriveerde ging één der bewakers er voor staan met de armen wijd gespreid: “Auf Befehl von der Hauptmann, muss die Frau mit die zehn Kinder erst herein.”
Zonder ongelukken of beschieting kwamen wij op deze manier vlug in Brüggen en bij aankomst aldaar werd gevraagd, wie direct naar een gereedstaande trein wilde gaan, om door te reizen. Wij verklaarden ons direct bereid, maar inmiddels kwam een seintje binnen, dat de trein vertrokken was. Ook in die trein moeten een aantal Roermondse gezinnen geëvacueerd zijn, want van mensen, die in die trein hebben gezeten, vernamen wij nadien, dat hun trein vijf dagen had rondgezworven, zodat zij pas na ons in Friesland zijn aangekomen.
Op de zolders van de pannenfabriek in Brüggen was het toen nog redelijk, er lag heel wat stro, dat toen echter al aan het kort worden was, zodat wij menen te mogen aannemen, dat reeds verschillende dagen daar gezinnen hadden geleefd en geslapen. Op 23 januari was de situatie er nog zo, dat wij ‘s avonds dikke erwtensoep kregen, waarin ook vlees voorkwam; deze was gekookt door in Brüggen aanwezige Russen.
Op 24 januari was er ‘s morgens een Heilige Mis opgedragen, naar ik meen, door de Z.E. Heer Sondaal. In de voormiddag kwam een delegatie van het Rode Kruis uit Roermond, die margarine en worst verdeelden naar gelang de gezinsgrootte. Zij hadden ook brood bij zich, maar verzochten, dit ter beschikking te willen laten van de gezinnen, die niets bij zich hadden. Tegen 3 uur in de middag kregen wij opdracht naar de trein te gaan, die gereed stond. Het waren alleen goederenwagons, waarin wat stro lag. Dit was niet ververst, dus vochtig en klam. Wij hadden het geluk, terecht te komen in een Neurenbergse wagon voor speelgoed, die dus behoorlijk ruim was. Dokter Bär maakte nog een gang langs de vele wagons, of hij nog ergens kon helpen. Inmiddels arriveerde tegen donker worden nog een transport gezinnen van Linne en St. Odiliënberg, die al een paar weken hadden doorgebracht in een “Lager” in Kaldenkirken en die ook nog in de al volle wagons werden gepropt. Nadat wij meer dan 8 uren in de wagons hadden doorgebracht vertrok de trein tegen half een ‘s nachts. Half zittend, half liggend hebben wij die nacht doorgebracht, maar blijkbaar heeft toch iedereen redelijk geslapen, want niemand heeft bemerkt, dat wij over één der Rijnbruggen zijn gekomen. Toen op 25 januari de dag begon aan te breken, zagen wij als eerste het station Dorsten. In Coesfeld, waar de trein geruime tijd heeft gestopt, zag men al gauw een eindeloze rij van mensen zitten, die hun natuurlijke behoeften moesten doen! Het stations personeel van Coesfeld heeft zich beijverd, om zoveel mogelijk mensen te voorzien van een slok warme koffie; voor iedereen een volle kop was ten enen male onmogelijk.
We gingen steeds verder noordwaarts. In Rheine was blijkbaar de afgelopen nacht gebombardeerd, want overal waren kraters en op het emplacement lagen de locomotieven met de raderen omhoog. Wij passeerden Lingen en Meppen en nog steeds gingen we verder noordwaarts. Er begon in de trein enige zorg te rijzen of we nog wel in Nederland zouden terugkomen, of dat men ons naar Denemarken zou transporteren. Er was nog maar één mogelijkheid, want we moesten Papenburg aandoen en vandaar was nog een spoorlijn naar Groningen.. En ja, in Papenburg werd de trein op een ander spoor gezet. Er kwam een andere locomotief voor en toen ging het werkelijk weer eens westwaarts. Inmiddels was de avond gevallenen het was bitter koud. Het vochtige stro was vastgevroren aan de vloer van de wagons en toch het is typisch. Er heeft geen van de vele in de wagons aanwezige kinderen geschreid of geklaagd.
Tegen middernacht kwamen we in Groningen aan en iedereen begon de bagage naar buiten te werken, daar in Papenburg was gezegd dat Groningen het einddoel was. Maar al heel spoedig kwamen Duitse militairen met de boodschap: Alles weer inladen, want we zouden doorgaan naar Leeuwarden. Op hoop van zegen, maar weer de wagon in en na de nodige tijd van wachten ging de trein weer. Op het moment dat wij in Groningen waren, waren daar ook de ouders van mijn vrouw, toen tijdelijk ondergebracht in de “Harmonie”. Maar wie wist iets van wie in die tijd, nadat van begin september alle verbindingen waren verbroken.
Na rond een half uur rijden stond de trein weer stil. “Leeuwarden?”werd gevraagd, maar neen dat kon nog niet. Weldra kwam er gebons op de deuren van de wagon: Alles heraus! Wij bleken in Buitenpost te zijn, waar het laatste deel van de trein was afgehaakt, terwijl het voorste deel door ging naar Leeuwarden. De evacuees werden vrijwel gelijkelijk verdeeld over de Hervormde en de Gereformeerde kerk. Deze laatsten bleven in de gemeente Achtkarspelen, waarvan Buitenpost het centrum is, terwijl de mensen uit de Hervormde kerk naar de gemeente Kollumerland en Nieuw Kruisland moest.
Wagens met melk van Zuivelfabriek Huuster Noord kwamen aan
Het was behaaglijk warm in de Hervormde kerk en weldra begonnen hoofden en hoofdjes te knikken. Dit duurde echter niet lang, want al spoedig na aankomst kwamen één of meer wagens van Zuivelfabriek “Huus ter Noord” met warme melk. Menig ouder kreeg het wel even te kwaad, als zij of hij de kinderen zag smullen van die volle melk, nadat ze zich al zo lang hadden moeten behelpen met een aanlengsel van taptemelkpoeder. En het deed je wel iets, als je de kinderen hoorde zeggen: “Moeder, zou ik nog een beker melk mogen vragen?.
Tegen negen uur ’s morgens (26 januari) kwamen tal van boerenwagens om de mensen te vervoeren van Buitenpost naar Kollum. Daar het nog bitter koud was, besloot ik te lopen, daar de afstand toch slechts ruim een uur is. Onderweg haalden we- mijn oudste zoon was bij me- een vrachtrijder in met paard en wagen en liepen met hem op naar Kollum. Zodoende was ik al behoorlijk georiënteerd, toen ik in Kollum aankwam. Ik wist dat er slechts één Roomse familie woonde, waarvan het hoofd ook in het evacuatie-comité zat. ”Als er iets was”, zo zei de vrachtrijder, dan moest ik maar vragen naar de heer Heger. Hij vertelde ons tevens dat de burgemeester NSB-er was. Maar geen gevaarlijke, terwijl de gemeentesecretaris 100 procent Nederlander was. Het kwam wel te pas, dat ik enigszins georiënteerd was, want nauwelijks in de zaal waar de inschrijving plaats vond, hoorde ik enkele heren van gedachten wisselen over sommige zeer moeilijke namen van “Die Limburgers”, want die namen leken wel Russisch. Ik heb toen maar even naar die mijnheer Heger gevraagd en hem meegedeeld, dat het hier ging om meerdere Russische meisjes, die verplicht te werk gesteld waren door de Duitsers in Roermond, maar die daar ondergedoken waren en nu met ons allen waren geëvacueerd. Na overleg met het comité kreeg ik te horen, dat deze meisjes zover mogelijk ”in het land”op afgelegen boerderijen zouden worden geplaatst, om ontdekking door de Duitsers te voorkomen.
Na bad en ontluizing werden we ingeschreven in een ziekenfonds; de premie werd blijkbaar door gemeente of Rijk voldaan. Ook kregen we distributiekaarten en toen begon de verdeling over de verschillende dorpen. Tevoren werd echter gevraagd of bepaalde gezinnen met elkaar wilden optrekken naar dezelfde plaats, dat daar dan rekening mee zou worden gehouden. Hiervan werd dankbaar gebruik gemaakt. Inmiddels had de Zuivelfabriek “Huus ter Noord” gezorgd voor een grote hoeveelheid stamppot van aardappelen, koolrapen en vlees. Iedereen kon nu weer eens genoeg eten. Er bleken in Duitsland enkele gedeporteerde jonge arbeiders de kans te hebben gezien, zich in wagons van de trein te smokkelen. Het was gewoon ongelooflijk, welk een hoeveelheid stamppot sommige van deze jongelui konden verorberen!
Na nog een nacht te hebben geslapen in het stro in een ijskoude school (men kreeg de verwarming niet aan het functioneren) kwam de laatste fase van de evacuatie-lijdensweg. Op boerenwagens in felle sneeuwbuien werden we op 27 januari 1945 nu gebracht naar het dorp, waar we ruim 4 maanden zouden doorbrengen. In de Hervormde kerk in Westergeest werden we samengebracht en na nogmaals de dis met stamppot te hebben
aangedaan, werden de evacuees gedistribueerd. In het land van de Wietzes en Sietzes waren de Limburgse voornamen blijkbaar niet zo bekend, want op een gegeven moment komt van de preekstoel, waar de voorzitter van het comité zich had geïnstalleerd, met de vraag: “Franciscus Schmitz, is dat een jongen of is dat een meisje?” Dat deze vraag met een daverend gelach van de evacuees beantwoord werd, ligt voor de hand.
Mijn vrouw had al enkele keren gevraagd of we bij elkaar zouden kunnen blijven met onze kinderen, maar gezien de behuizing daar was het ten enen male onmogelijk dat in Westergeest iemand twaalf evacuees zou kunnen opnemen. Men kan zich wel de gedachten en gevoelens van een moeder indenken, als zij negen van de tien kinderen met totaal vreemden ziet weggaan en alleen het kleinste bij zich kan houden. Men heeft zich in Westergeest zoveel mogelijk beijverd de leden van een gezin zo kort mogelijk bij elkaar te plaatsen, zodat wij met ons twaalven, over 9 gezinnen verdeeld, toch slechts maximaal 5 minuten uit elkaar woonden. Met één zoon uit het gezin waar wij onderdak vonden, ben ik diezelfde avond de andere 8 gezinnen nog even gaan bezoeken; de kinderen sliepen allen als rozen en dat stelde mijn vrouw weer gerust.
De kleding en vooral het ondergoed, speciaal van de kinderen, was onvoldoende voor het klimaat en de daar vrijwel steeds heersende wind. Er ontstond dan ook een rage naar schapenwol en Frits, schrijnwerker uit Linne en timmerman van professie, vond al direct emplooi met het maken van spinnenwielen. Goede wol deed f. 0,50 per kilo, maar daar kon men ook heel wat van spinnen. Van prijzen was men daar trouwens wel
op de hoogte. Een pak lucifers kostte in de zwarte handel f. 1,10, dus f. 1,– per doosje.
Wij hadden voor ieder der gezinnen waar wij en onze kinderen waren een pakje thee, waar de Friezen nu eenmaal verzot op zijn. De dag nadat wij deze hadden verdeeld, waren er al handelaars die per pakje f. 80,– wilden geven. Voor een pakje koffie betaalde men f. 150,– en voor een kistje sigaren, dat f. 3,50 had gekost in 1939, kreeg ik 5 kilo prima wol, dus voor een waarde van f. 250,–. Dat deze praktijken zich voor een groot deel beperkten tot de oorlogstijd blijkt uit het volgende:
Toen de bevrijding een feit was, zou ik op de fiets naar Drenthe, waar de ouders van mijn vrouw inmiddels waren terechtgekomen. Mijn vrouw wilde iets bakken voor haar ouders en dus moest ik eieren gaan kopen, die tot dan toe f. 1,– per stuk kostten.
Toen ik voor 10 eieren f. 10,– op tafel legde, kreeg ik er tot mijn verbazing negen terug met de opmerking: “nu de oorlog uit is, moet ook de zwarthandel afgelopen zijn”.
Het was (en is) goed leven in de Friese Wouden, zoals men de zandstreek daar noemt. Brood was er praktisch alleen op de bon verkrijgbaar, maar vlees was er meer dan genoeg, ook buiten het normale rantsoen. Er werd daar elke week wel een noodslachting “georganiseerd”. Het vlees was dan wel duur, maar zoals onze gastvrouw opmerkte:
“We behoeven aan jullie toch ook niet te verdienen!”. Want men kreeg een niet onredelijke vergoeding voor het hebben van evacuees.
De tijd in ledigheid doorgebracht hebben de evacuees in Westergeest zeker niet. Toen het voorjaar aanbrak, zag men hen allerwege op het land werken. De mensen daar hebben trouwens nog wel een en ander van de Limburgers geleerd. Takkenbossen, ook van hakhout, werden daar nog gebonden met stro. Van het binden met wijten van eikenhout had men daar nooit gehoord. Ook de vrouwen hebben hun duit in het zakje gedaan.
Toen de Limburgers in Westergeest kwamen, zagen zij de mergpijpen bij de slager op de mesthoop liggen en één der Friese gastvrouwen maakte de opmerking: Wie heeft er nu ooit van gehoord dat men van beentjes soep kon maken. Na enkele weken wist de slager van wanten, want toen moesten de beentjes en mergpijpen al een behoorlijke prijs opbrengen.
De aanpassing tussen twee zo verschillende volksgroepen als de Friezen en de Limburgers viel over het algemeen zeer mee. Moeilijkheden komen in de beste families voor, dus waarom in Westergeest niet? Toch waren deze maar sporadisch en ofschoon zeker de helft van de dorpelingen een of meer evacuees in huis had, hebben we slechts enkele “verhuizingen” gehad. Meestal wist het comité deze met tact op te lossen. En wanneer in een bepaald geval onwil in het spel was, wist men ook wel drastische maatregelen te nemen. In een gezin, waar een vader met zijn
zevenjarig zoontje erg onwelkom was, werden deze weggehaald, en in de plaats kreeg dat gezin een oude vrouw, die steeds bedlegerig was en veel verzorging nodig had.
Er is tussen veel mensen in Friesland en Limburg toch wel een band gegroeid door die evacuatie, al hebben sommige Friezen, toen zij ons, Limburgers, de eerste dagen onder elkaar hoorden praten, zich wel eens afgevraagd, of men hen met een stel Duitsers had opgezadeld? Een bewijs van de ontstane band: half januari jl. kregen wij een dringende oproep van het gezin in Westergeest, waarmee wij sinds 1945 het meest contact hebben gehad, om op 27 januari met drie van onze kinderen naar
Westergeest te komen, om het feit te herdenken, dat wij 25 jaren geleden daar waren gekomen. Gezien het weer en de afstand hebben wij dit verzoek in dank moeten afslaan met de belofte, dat wij in de komende zomer dit wel willen overdoen.
Met de geestelijke verzorging ging het, zoals het kon. In Wouterswoude was de tegenwoordige pastoor van Asselt, de Z.E. Heer van Riswick als pastoor onder uitsluitend Arnhemmers, terwijl in Kollumerland, waar vrijwel alleen Limburgers waren, kapelaan Rolff uit Arnhem de zielzorg uitoefende. De Kerkenraad der Nederlands Hervormde Kerk in Westergeest deed aan de dominee het voorstel, de kerk of het catechisatielokaal ter beschikking te stellen voor de kerkdiensten van de Limburgers, maar hij “wenste onder geen voorwaarde mee te werken aan de bevordering of instandhouding van het Roomse bijgeloof”. Lijnrecht hiertegenover
staat de houding van de Kerkenraad van de Gereformeerde Kerk in Buitenpost, die welwillend hun kerk ter beschikking stelde, toen Mgr. Lemmens eens met zijn mensen in die streek in contact wenste te komen. Het zal wel de eerste keer zijn geweest, dat de gewelven van die kerk daveren van het lied van de Sterre der Zee. Het was er overweldigend druk; sommigen waren 6 à 8 kilometer komen gelopen op klompen.
De voorzitter van de Kerkenraad in Westergeest, die het met zijn dominee niet eens was, zocht contact met zijn N.S.B.-burgemeester in Kollum, die direct verlof gaf, elke zondag de openbare school beschikbaar te stellen. Met enkele mensen sjouwden wij daar zaterdags een aantal banken heen, om deze elke maandag weer terug te brengen naar de zaal. Op zondag mochten wij die banken nog halen en terugbrengen, want dan was het rustdag. De eerste zondagen was de belangstelling van de “inboorlingen” van Westergeest soms groter dan die van de evacuées. Later luwde
dit wel, maar een aantal is blijven komen, tot de taak van kapelaan Rolff was afgelopen.
Men wist daar van het katholicisme praktisch niets. Toen wij voor Pasen gingen biechten, vroeg onze gastvrouw, of wij ook onze portemonnee bij ons hadden; op onze vraag waarom zij dit vroeg, was het antwoord, dat wij toch moesten betalen om onze zonden vergeven te krijgen. Op een zondag na de Heilige Mis zat ik te vissen, toen onze gastvrouw hijgend kwam aanlopen: “Willems, daar komt de pastoor van jullie aan”. Op mijn vraag waarom zij zo hard kwam gelopen, was de wedervraag:
“Maar mogen die Roomschen dan vissen op zondag?” De nadere kennismaking met “die Roomschen” scheen toch wel mee te vallen, want in een gesprek over geloofszaken (en die zijn er toen heel wat geweest) kwam onze gastheer met de zeer nuchtere opmerking: “als alle Roomschen zijn, zoals de evacuees hier, dan mag van mijn part de hele wereld Rooms worden”.
De omstandigheden in aanmerking genomen, hadden wij het moeilijk beter kunnen hebben, dan wij het die 4 maanden daar in Westergeest hadden. Toch waren wij maar wat blij, toen we eindelijk begin juni huiswaarts konden keren. Wij wisten inmiddels, dat ons huis nog redelijk bewoonbaar was, en verlangden uiteraard naar weer thuis te komen. Bij het vertrek werden nog wel enige tranen vergoten, want sommigen hadden zich zeer sterk gehecht aan onze kinderen. Wij waren trouwens nog geen maand thuis, of er kwam al iemand van Westergeest, die een van onze jongens
wilde komen halen, want in Friesland werd gezegd, dat er in Limburg nog vrijwel niets te eten was. We konden hem gelukkig overtuigen, dat het anders was, en dat hij met een gerust hart naar Westergeest kon teruggaan. Wij zullen de mensen daar steeds dankbaar blijven!
Anekdote van Jacques:
Over Wim weet ik nog een anekdote die ik nog nergens tegengekomen ben en ik heb dit niet zelf meegemaakt: Wim lag op een keer op zijn buik op een omgekeerde roeiboot {bij de brug waar de Fam. Kuipers woonde) steentjes in de Dokkumer trekvaart aan het gooien, toen hij van die roeiboot afgleed en in het water terecht kwam. Wie alarm heeft geslagen en wie hem uiteindelijk met een dreghaak uit het water gehaald heeft weet ik niet.











































































































































































![historie27jan-1-1024x575[1]](http://www.foestrumerarchief.nl/wp-content/uploads/2017/02/historie27jan-1-1024x5751-300x81.jpg)








































































































































































































































































































































































































